Toezeggingen door ambtenaren, zijn die bindend?

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling of ABRvS’) een belangrijke uitspraak gedaan over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. Dit is een mooie stap in de rechtsontwikkeling.

Er lijkt een verschuiving te zijn in de rechtspraak rondom het vertrouwensbeginsel. Een beroep op een toezegging van een ambtenaar of een wethouder werd tot voor kort slechts zelden tot nooit gehonoreerd. Een burger die iets wil bouwen en keurig overlegt met een ambtenaar van de afdeling ruimtelijke ordening, te horen krijgt dat hier geen vergunning voor nodig is en vervolgens gaat bouwen, maar hierna opeens een handhavingsbesluit ontvangt, stond vaak met lege handen. Vaste jurisprudentie van de Afdeling luidde namelijk als volgt (zie bijv. ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:428):

“Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan door een daartoe bevoegde persoon die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.”

Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Als in het voorgaande bleek dat er toch wel een vergunning vereist was, dan ging het mis op de eis dat de toezegging moet zijn gedaan “door een daartoe bevoegde persoon”. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om een vergunning te verlenen. Een ambtenaar van de afdeling ruimtelijke ordening is dus niet bevoegd. Daar heeft de Afdeling echter een nuance op aangebracht, zo blijkt uit haar uitspraak van 19 juli 2017, die is herhaald in de uitspraak van 20 juni 2018, waarin de Afdeling oordeelde dat een beroep op het vertrouwensbeginsel ook kan slagen als “deze toezeggingen zijn gedaan door een persoon waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.” Een soort van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid nam de Afdeling dus aan.

Nieuwe ontwikkeling
De uitspraak van 29 mei 2019 is weer een nieuwe ontwikkeling van de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel. In navolging van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal Wattel oordeelt de Afdeling dat een beroep op het vertrouwensbeginsel vanaf nu moet worden beoordeeld aan de hand van het volgende stappenplan:

  1. het moet gaan om een toezegging, of een uitlating die de burger mag opvatten als een toezegging;
  2. de toezegging of uitlating moet zijn gedaan door het bestuursorgaan zelf, of door een persoon van wie de burger redelijkerwijs mocht aannemen dat die de huidige opvattingen van het bevoegde overheidsorgaan weergaf;
  3. er moet een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de persoon aan wie de toezegging is gedaan, de belangen van derden (zoals omwonenden of concurrenten) en de belangen van de samenleving.

Ten aanzien van die derde stap oordeelt de Afdeling:

“De Afdeling overweegt in dit verband dat het algemeen belang dat gediend is bij handhaving in zijn algemeenheid weliswaar zwaar weegt, maar, indien een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gedaan, niet doorslaggevend hoeft te zijn, als er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis aangewezen kunnen worden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming.”

 Op basis van deze uitspraak kan worden geconcludeerd dat een belangenafweging, de derde stap dus, een grotere rol lijkt te gaan spelen bij een beroep op het vertrouwensbeginsel dan voorheen het geval was. Als de burger in het hiervoor genoemde voorbeeld het bouwwerk dus heeft gebouwd op basis van de toezegging van de ambtenaar, hij veel kosten moet maken om dit weer af te breken, terwijl er geen derden zijn die last hebben van het bouwwerk, dan zal een beroep op het vertrouwensbeginsel eerder kunnen slagen dan voorheen het geval was.

In de zaak waarover de Afdeling oordeelde, slaagde het beroep op het vertrouwensbeginsel. Vandaag deed zij echter ook uitspraak in een andere zaak, waarin de burger minder geluk had. Op basis van een gedegen belangenafweging van het bestuursorgaan in die zaak oordeelde de Afdeling dat het belang van de burger niet voldoende zwaarwegend was. Ook onder de nieuwe jurisprudentie blijft het dus altijd maatwerk bij de vraag of een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.

Wie moet u vertrouwen?
Is aan u een toezegging gedaan? Of wordt u als overheidsorgaan geconfronteerd met een burger die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel? Wij adviseren u graag op basis van de meest recente jurisprudentie of een beroep op het vertrouwensbeginsel in uw specifieke geval kans van slagen heeft. Neem gerust en vrijblijvend contact met ons op.

Thema's: Overheid en onderwijs, Ruimtelijke ordening en Bestuursrecht
Advocaat: mr. Eric van der Goot

Meer nieuws Nieuwsbrief

Actueel

  • Gemeente moet schadevergoeding betalen voor schending privacy
    Lees meer
  • Toezeggingen door ambtenaren, zijn die bindend?
    Lees meer
  • GGZ-instelling vrijgesproken van dood door schuld
    Lees meer

Meer nieuws Nieuwsbrief

Deze website gebruikt cookies Ok