Landje(terug)pik?

Eerder schreef ik al een aantal artikelen over het door verjaring verkrijgen van een strook grond en het door de oorspronkelijk eigenaar toch nog kunnen terugvorderen ervan. Onlangs is er weer een uitspraak gedaan in dezelfde lijn door de Rechtbank Noord-Holland.

In deze kwestie speelde de vraag of een inwoner van de gemeente Velsen door verjaring eigenaar was geworden van een strook (gemeente)grond of dat de gemeente eigenaar is (gebleven).

Sinds 1989 had de inwoner de strook in gebruik. Geoordeeld wordt dat het gebruik door de inwoner juridisch gekwalificeerd kan worden als inbezitneming. De verjaringstermijn is daarmee aangevangen in 1989. De rechtbank is verder van oordeel dat de inwoner niet te goeder trouw was, zodat niet de korte verjaringstermijn van tien jaren, maar de lange termijn bij kwade trouw van twintig jaren geldt. Dit betekende dat door verjaring de inwoner in 2009 juridisch eigenaar was geworden van de strook (gemeente)grond. Het oordeel dat de inwoner niet te goeder trouw was, lijkt dus geen effect te hebben op de uitkomst voor de inwoner. Toch is dat wel het geval.

Zoals ik in eerdere artikelen al schreef, kan de oorspronkelijke eigenaar (bestolene) op grond van onrechtmatige daad een vordering tot teruglevering van de grond instellen. In dit geval heeft de gemeente dat ook gedaan. De verjaringstermijn voor een vordering uit onrechtmatige daad is vijf jaren. De inwoner stelde zich dan ook op het standpunt dat er sinds 2009, het moment dat hij juridisch eigenaar was geworden, meer dan vijf jaren waren verstreken voordat de gemeente de vordering tot teruglevering had ingesteld, zodat de gemeente geen terugvordering meer zou kunnen eisen.

De gemeente en met haar de rechtbank was van mening dat de verjaringstermijn van vijf jaren niet al in 2009 was aangevangen, maar pas op het moment dat de gemeente bekend was geworden met het verlies van haar strook grond. Die bekendheid ontstond pas met de gesprekken tussen partijen in 2018. Sindsdien zijn nog geen vijf jaren verstreken.

De slotsom is dat de rechtbank de vordering van de gemeente toewijst en de inwoner gehouden is tot (terug)levering van de strook grond. Landjepik werd dus niet beloond en de inwoner kreeg de proceskosten voor zijn kiezen. Duidelijk is dat het handvat zoals dat geboden is door Hoge Raad in 2017 met de vordering tot teruglevering uit hoofde van onrechtmatige daad nu al enige tijd met succes wordt ingezet (door gemeenten). Het moet daarbij wel gaan om landjepik te kwader trouw. Als er sprake is van goede trouw wordt aan een vordering tot teruglevering uit hoofde van onrechtmatige daad niet toegekomen.

(De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2021 leest u hier.)

Thema's: Overheid en onderwijs, Contracten en schade en Vastgoed
Auteur: mr. Dirk-Jan Westra

Meer nieuws Nieuwsbrief

Actueel

  • Verkoop van onroerend goed door overheid aan banden?
    Lees meer
  • Landje(terug)pik?
    Lees meer
  • Jonge influencers, mom-influencers en ruziënde ouders
    Lees meer

Meer nieuws Nieuwsbrief

Deze website gebruikt cookies Ok