Slapeloze nachten door slapend dienstverband

Sinds de bekendmaking van de Wet compensatie transitievergoeding (Wet van 11 juli 2018 Stb. 2018, 234) die per 1 april 2020 in werking treedt, is de discussie over het voortbestaan van slapende dienstverbanden weer opgelaaid. Menig rechter ligt ’s nachts te woelen over de vraag of de werkgever zich als een goed werkgever gedraagt door een slapend dienstverband in stand te houden. Reden voor de Rechtbank Limburg om op 10 april jl. een viertal prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Het slapend dienstverband ontstaat nadat een werknemer ten minste twee jaren ongeschikt is gebleken tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Voor 1 juli 2015 kon de werkgever na die twee jaren de arbeidsovereenkomst opzeggen zonder dat een vergoeding verschuldigd was. Door de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid per 1 juli 2015 worden werkgevers echter verplicht om een transitievergoeding te betalen bij arbeidsovereenkomsten die langer dan twee jaren hebben geduurd, ook indien de werknemer in die tijd langdurig ziek was. Veel werkgevers maken daarom gebruik van het slapend dienstverband. De werknemer blijft dan in dienst en geniet een WIA-uitkering, maar verricht geen werkzaamheden waardoor de werkgever geen loon verschuldigd is. Gunstig voor de werkgever omdat er geen transitievergoeding verschuldigd is bij het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst.

Heersende leer vóór de Wet compensatie transitievergoeding

In de rechtspraak is de vraag opgeworpen of een dergelijke werkwijze zich verdraagt met de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Werknemers zijn vanzelfsprekend vrij om zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar verliezen in dat geval het recht op de transitievergoeding. De achterliggende gedachte van de transitievergoeding is juist om werknemers bij het einde van hun dienstverband een tijdelijke steun in de rug te bieden bij het zoeken naar ander werk. Zelfs de minister heeft overwogen dat het slapende houden van een dienstverband met als enige reden om de transitievergoeding niet te hoeven betalen, getuigt van een onfatsoenlijke werkgever.

Ondanks deze argumenten zijn rechters eenstemmig van oordeel dat er geen wettelijke ontslagplicht geldt voor een werkgever, zo ook bijvoorbeeld het Hof Den Haag op 14 oktober 2016 Het Hof betrekt daarbij in zijn oordeel dat de minister het slapende houden van een dienstverband weliswaar niet vindt getuigen van fatsoenlijk werkgeverschap, maar dit maakt het handelen van de werkgever echter niet ongeoorloofd.

Wet compensatie transitievergoeding

De wetgever achtte deze gang van zaken onwenselijk en heeft, om beide partijen tegemoet te komen, de Wet compensatie transitievergoeding in het leven geroepen. De wet houdt in dat werkgevers per 1 april 2020 een verzoek kunnen indienen bij het UWV voor compensatie van de betaalde transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer vanaf 1 juli 2015. Achterliggende gedachte is dat werkgevers eerder een slapend dienstverband zouden willen beëindigen, nu het de werkgever in dat geval geen geld kost.

Verdeeldheid na de Wet compensatie transitievergoeding

Na de komst van de Wet compensatie transitievergoeding zijn in korte tijd meerdere rechtszaken gevoerd met daarin de vraag of een werkgever met een slapend dienstverband nu wel in strijd handelt met artikel 7:611 BW. Zo oordeelde het Scheidsgerecht Gezondheidszorg op 27 december 2018 dat in het licht van de Wet compensatie transitievergoeding onder bepaalde omstandigheden de werkgever in strijd kan handelen met artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) door een dienstverband slapende te houden. De werkgever werd in dit geval veroordeeld tot het betalen van de transitievergoeding.

De Rechtbank Overijssel oordeelde op 21 maart 2019 daarentegen dat de wet geen verandering brengt in het ontbreken van een wettelijke ontslagverplichting. In deze zaak werd de arbeidsovereenkomst dus ontbonden zonder de toekenning van een transitievergoeding. Nadien sloot de Rechtbank Den Haag zich op 28 maart 2019 aan bij het Scheidsgerecht. De Rechtbank Limburg op 4 april 2019 zat weer op de lijn van de Rechtbank Overijssel.

Verdeeldheid dus tussen de verschillende rechtbanken en arbiters, hetgeen de rechtszekerheid en de vrees voor willekeur niet ten goede komt. Daardoor vond de rechtbank Limburg het op 10 april 2019 noodzakelijk om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Prejudiciële vragen zijn rechtsvragen die worden gesteld aan het hoogste rechtsorgaan over de uitleg van bepaalde rechtsregels. De rechtbank acht het stellen van de vragen essentieel voor de beoordeling van de onderhavige zaak en voorts om tot een algemeen bruikbare leidraad te komen welke de eenheid van rechtspraak op dit onderwerp zal kunnen bevorderen.

Kortom, het is wachten op het antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen van de Rechtbank Limburg. Een termijn waarbinnen de Hoge Raad arrest zal wijzen, valt lastig te voorspellen, maar wij houden die ontwikkeling nauwlettend voor u in de gaten. Het is te hopen dat de Hoge Raad bij de beantwoording in de rol van Klaas Vaak kan treden, zodat onze nationale rechters wederom met een gerust hart in slaap kunnen dommelen.

Zie voor de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 10 april 2019: ECLI:NL:RBLIM:2019:3208.

Thema: Arbeid
Advocaten: mr. Wim Veldjesgraaf en mr. Gert-Jan Rauw

Meer nieuws Nieuwsbrief

Actueel

  • Wet kwaliteitsborging komt er dan toch
    Lees meer
  • Beëindigingsovereenkomst per WhatsApp geldig?
    Lees meer
  • Slapeloze nachten door slapend dienstverband
    Lees meer

Meer nieuws Nieuwsbrief

Deze website gebruikt cookies Ok