Lessen van De Lawei

Op 7 juli 2017 heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw vonnis gewezen in het langlopende conflict tussen schouwburg De Lawei uit Drachten en aannemingsbedrijf Van Norel uit Epe. De Lawei heeft Van Norel te snel van het werk gestuurd en moet nog een flinke (schade)vergoeding betalen. Uit het vonnis van de Raad van Arbitrage kunnen een aantal lessen worden getrokken.

Ontbinding van een aannemingsovereenkomst
De arbiters stellen voorop dat het moment waarop gemeten kan worden of een aannemer heeft voldaan aan haar resultaatsverplichting uit de aannemingsovereenkomst, het moment van oplevering van het werk is. Het feit dat het meetmoment pas bij oplevering ligt, betekent  dat de aannemer tijdens de uitvoering van het werk niet snel in verzuim zal zijn omdat hij nog de gelegenheid heeft om zijn “gebreken” te herstellen. Ook de verplichtingen om tijdens het werk instructies van de directie op te volgen en om onvoldoend werk te verbeteren of te vernieuwen doen daar niets aan af en ook dit vormt derhalve niet zonder meer een grond voor ontbinding van een aannemingsovereenkomst.

Naast de specifieke regeling van de aannemingsovereenkomst en de UAV geldt ook het gewone burgerlijk recht. Als bijvoorbeeld vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk is, dan kan op grond van het burgerlijk recht eventueel verzuim wel tijdens de uitvoering intreden. Als het verzuim eenmaal is ingetreden én de tekortkoming ernstig genoeg is, kan de tekortkoming de ontbinding met zich brengen. Het moet dan wel gaan om een wezenlijke tekortkoming. Bij de vraag of een tekortkoming wezenlijk is moet worden gekeken naar de aard van de overeenkomst, de aard van de tekortkoming en de gevolgen van de eventuele ontbinding.

De Lawei heeft als separate ontbindingsgrond opgenomen dat Van Norel aanwijzingen van de directie tot het herstel van onvoldoend werk niet heeft opgevolgd. Nog daargelaten de vraag of dit juist is, zijn de door De Lawei genoemde gebreken noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien zo wezenlijk dat deze een ontbinding van de overeenkomst zou kunnen rechtvaardigen. Dit mede gelet op de aard van de overeenkomst en de ernst van de gevolgen van de ontbinding.

Het uitgangspunt dat de Raad van Arbitrage voor de Bouw nog eens expliciet naar voren brengt, dat het werk van de aannemer pas bij oplevering wordt gecontroleerd, betekent dat een ontbinding tijdens de uitvoering niet snel gerechtvaardigd zal zijn. De beslissing om een overeenkomst van aanneming van werk te ontbinden, zal dus zeer zorgvuldig voorbereid moeten worden.

Coördinatieverplichting
Van Norel had, net zoals vele hoofdaannemers, de coördinatieverplichting op de bouw. Dat brengt met zich dat Van Norel moet zorgen voor het afstemmen van de werkzaamheden van de diverse partijen en het verwerken van die werkzaamheden in de planning. Van Norel had 39 onderaannemers had en minimaal 3 nevenaannemers. Daarnaast waren behalve de schouwburg als opdrachtgever, een bouwdirectie en een toezichthouder bij het werk betrokken. Dat zo’n coördinatieverplichting niet eenvoudig is, staat wel vast. Arbiters stellen (terecht) dat het achterblijven van de aannemer op de planning, niet betekent dat zij tekortschiet in haar coördinatieverplichting. Daarvoor kunnen er immers diverse redenen zijn. Een van die redenen kan zijn, zoals in dit geval, dat de opdrachtgever niet steeds tijdig en adequaat reageerde op verzoeken om informatie van de aannemer.

De bouwkundig aannemer krijgt meestal de coördinatieverplichting. Als die bouwkundig aannemer ook het merendeel van de werkzaamheden dient te verrichten, dan ligt dat ook wel voor de hand. Maar zo lang de hoofdaannemer geen middelen heeft om nevenaannemers tot de orde te roepen, blijft het bij een functie waarbij de hoofdaannemer  alleen kan signaleren en waarbij de opdrachtgever zal moeten sturen.

Vervolg
Het vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Bouw is een vonnis in eerste aanleg. Dat betekent dat het nog mogelijk is dat er hoger beroep wordt ingesteld door één van de partijen. Gelet op de belangen die bij deze overeenkomst gemoeid zijn is dat niet ondenkbaar.

Wat in het vonnis bijzonder is, dat is dat de Raad van Arbitrage bij de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd was, ook de exploitatie van de schouwburg in aanmerking neemt. Dit is een belang van De Lawei. Als De Lawei van mening is dat zij de overeenkomst moet ontbinden, waarom oordelen arbiters dan in een vonnis dat die ontbinding niet gerechtvaardigd was (mede) op grond van een belang dat louter alleen bij De Lawei als ontbindende partij ligt? Dat is een interessante vraag die mogelijk nog wel voer voor discussie kan opleveren.

Thema's: Bouw en vastgoed en Bouwen
Auteurs: mr. Wim Bulthuis, mr. Rudolf Knegtering en mr. Dirk-Jan Westra

Meer nieuws Nieuwsbrief

Actueel

  • Over de toepassing van artikel 6:19 van de Awb bij ruimtelijke plannen
    Lees meer
  • Verhuurders let op: we gaan weer terug naar vaste huurcontracten
    Lees meer
  • Digitale error komt voor risico van de advocaat
    Lees meer

Meer nieuws Nieuwsbrief

Advocaten en juristen

Wim Bulthuis

Advocaat

Ivo van der Meer

Advocaat

Cynthia Grondsma

Advocaat

Dirk-Jan Westra

Advocaat

José Kemper

Advocaat

Willemijn Kuper

Advocaat

Lisa Blankestijn

Advocaat

Ayla Bosma

Advocaat

Femke de Jong

Advocaat

Gido Kalfsbeek

Juridisch medewerker

Alle advocaten en juristen

Deze website gebruikt cookies Ok