Windmolens, tulpen en massaclaims

Internationaal is Nederland vooral bekend om zijn windmolens en tulpen. In internationale juridische kringen maakt Nederland daarnaast, sinds 2005, furore met de Wet collectieve afwikkeling massaschade (Wcam). Een wet die voorziet in een efficiente manier om massaschade af te wikkelen. Een wet waarvoor de roemruchte Nederlandse Des-zaak de aanleiding vormde.

 

Des was een medicijn dat in de jaren 1947 tot 1976 op grote schaal werd voorgeschreven aan zwangere vrouwen. Op een zeker moment werd een verband gelegd tussen het middel en lichamelijke aandoeningen bij dochters die uit deze zwangerschappen werden geboren; de Des-dochters. Zij kregen te kampen met vroeggeboorte, miskramen en baarmoederhalskanker. De kwestie is uiteindelijk op 1 juni 2006 geschikt conform de Wcam.

 

Hangende de Des-zaak werd duidelijk dat een wettelijke regeling nodig was voor dergelijke gevallen; gevallen waarin een groot aantal gedupeerden is te betreuren door schadetoebrengend handelen van één of enkele veroorzakers. De Nederlandse wetgever heeft in de aanloop naar de wetgeving goed georiënteerd, en daarbij met name ook de Amerikaanse regeling omtrent massaschade bestudeerd.

 

Onder de Amerikaanse regeling vraagt een ‘representatieve gedupeerde’ aan de rechter om de veroorzaker te veroordelen tot vergoeding van de schade die aan het collectief van gedupeerden is berokkend. Theoretisch een logisch vormgegeven regeling, maar in de praktijk werkt de regeling niet optimaal. Geen geval is hetzelfde. Veelal zijn toch nog langslepende juridische procedures nodig om individuele omstandigheden te beoordelen. De veroorzaker maakt in de Amerikaanse praktijk dan ook veelal een afweging, doorgaans resulterend in onderhandelingen over een schikking.

 

Precies die schikking is onder de Nederlandse Wcam juist verheven tot het uitgangspunt. Onder de Wcam wordt het bestaan van een schikking verondersteld, waarbij de rechter van het Gerechtshof te Amsterdam dan wordt verzocht om de regeling voor de betrokken partijen verbindend te verklaren. Het Gerechtshof toetst de schikking dan aan wettelijke criteria zoals de redelijkheid van de vergoeding en de mate waarin de groep van gedupeerden, verenigd in een stichting of vereniging, representatief is voor het collectief van gedupeerden. Wanneer de regeling vervolgens onherroepelijk verbindend wordt verklaard, geldt de vergoeding dan voor álle gedupeerden. Met dien verstande dat aan gedupeerden de mogelijkheid wordt gegeven om binnen een zekere periode uit te stappen; de opt-out-regeling. Daarvan gebruik makend zal de betreffende gedupeerde zich alsnog zelfstandig tot de rechter kunnen wenden om een oordeel te vragen, doorgaans hopend op een hogere vergoeding. Alle bekende gedupeerden worden van de opt-out mogelijkheid op de hoogte gesteld middels een afschrift van de beschikking. Om ook de onbekende gedupeerden te bereiken schrijft de wet voor om de verbindendverklaring te publiceren in één of meer nieuwsbladen.

 

De Wcam laat de totstandkoming van de schikking zelf aan de betrokken partijen over. De wet bevat geen dwangmiddelen om de veroorzaker tot onderhandeling te manen. Die middelen worden elders in het Nederlandse recht gevonden. Van belang is daarbij de samenhang van de Wcam met het recht van de collectieve actie, vervat in artikel 3:305a BW. Laatstgenoemd artikel biedt weliswaar geen mogelijkheden voor de vereniging of stichting om schade te verhalen, maar kan wel door de vereniging of stichting worden aangewend om de rechter te benaderen omtrent een oordeel over de juridisch ‘hete hangijzers’. De rechter wordt dan gevraagd om een verklaring van recht betreffende de onrechtmatigheid of aansprakelijkheid van de veroorzaker. In de praktijk zal een veroordelende uitspraak de onwelwillende veroorzaker bereidwillig maken om toch tot onderhandeling over te gaan; het weinig aanlokkelijke alternatief is een langslepend juridisch geschil.

 

Directe aanleiding voor mijn schrijven over de Wcam is de Converium-zaak, handelend over de internationale bevoegdheid van het Gerechtshof Amsterdam. In deze zaak werd geoordeeld over een verzoek tot verbindendverklaring terwijl het merendeel van de gedupeerden geen woonplaats had in Nederland. Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in dergelijke gevallen? De Minister van Justitie heeft indertijd over eventueel internationale aspecten opgemerkt: “dat is een vraag van internationaal privaatrecht die op dit moment niet te beantwoorden is. Daar zal eerst ervaring mee opgedaan moeten worden”. Die ervaring is opgedaan in de Des-schikking, de Dexia-schikking, de Shell-schikking en nu laatstelijk in de Converium-zaak.

 

De Converium-zaak handelende over gedupeerde beleggers door misleidende berichtgeving waardoor een onjuiste voorstelling van zaken was geschetst. De groep van gedupeerden was verspreid over de hele wereld; de banden met Nederland waren betrekkelijk klein. Slechts 200 van de 12.000 gedupeerden hadden in Nederland woonplaats. Bovendien waren de veroorzakers van de schade niet in Nederland gevestigd. Toch achtte het Gerechtshof zich bevoegd om de schikking te beoordelen, overwegende dat: alleen het Nederlands recht in Europa voorzag in een mogelijkheid tot het verbindend verklaren van een schikking; er grote behoefte was bij de beleggers om de schade collectief af te wikkelen; en bovendien, de Amerikaanse rechter zich onbevoegd had verklaard ten aanzien van de vordering van niet-Amerikaanse beleggers. Met enige ‘juridische acrobatiek’, niet vrij van controverse, wist het Gerechtshof zijn bevoegdheid te staven met enkele bepalingen uit de EEX-Verordening en het EVEX-Verdrag. Echter, als conclusie mag gelden dat het Gerechtshof zich gemakkelijk en gekunsteld bevoegd achtte. Het Gerechtshof nam de regels van internationaal privaatrecht met een ‘korreltje  zout’, kennelijk gerechtvaardigd door het gemak en efficientie van de regeling, alsmede de met de regeling geboden rechtszekerheid.

 

Wel is een belangrijke vervolgvraag of een buitenlandse rechter de verbindendverklaring door de Nederlandse rechter ook zal moeten erkennen. Is ook de buitenlandse rechter, en daarmee ook de buitenlandse gedupeerde onverkort gebonden aan de verbindendverklaring door het Gerechtshof te Amsterdam? De praktijk zal dat moeten uitwijzen maar theoretisch er zijn goede argumenten voorhanden om die vraag bevestigend te beantwoorden. In ieder geval dienen de rechters van EEX-lidstaten - de lidstaten van de Europese Unie met uitzondering van Denemarken - de verbindendverklaring zonder vorm van proces te erkennen op grond van de EEX-Verordening. Buiten de reikwijdte van de EEX-verordening is het antwoord niet aanstonds helder. Wel is duidelijk dat dan de beperkte termijn voor opt-out dan niet onverkort zal kunnen gelden.

Of Nederland zich met deze uitspraak zal ontwikkelen tot ‘claim-lekker-land’, moet worden afgewacht, maar voor de praktijk is duidelijk dat ook massaschade met internationale aspecten nu kan worden afgewikkeld overeenkomstig de Wcam. Dat biedt kansen voor de Nederlandse advocatuur.

Bron: Mr. Michaël Dol

Meer nieuws Nieuwsbrief

Actueel

  • Over de toepassing van artikel 6:19 van de Awb bij ruimtelijke plannen
    Lees meer
  • Verhuurders let op: we gaan weer terug naar vaste huurcontracten
    Lees meer
  • Digitale error komt voor risico van de advocaat
    Lees meer

Meer nieuws Nieuwsbrief

Advocaten en juristen

Wim Bulthuis

Advocaat

Ivo van der Meer

Advocaat

Cynthia Grondsma

Advocaat

Dirk-Jan Westra

Advocaat

José Kemper

Advocaat

Willemijn Kuper

Advocaat

Lisa Blankestijn

Advocaat

Ayla Bosma

Advocaat

Femke de Jong

Advocaat

Gido Kalfsbeek

Juridisch medewerker

Alle advocaten en juristen

Deze website gebruikt cookies Ok